De eerste 125 jaar van Euterpe

 Door L. Leicht.

  

Het was in november van het jaar 1869, dat een groepje jongemannen, oud-leerlingen van de Muziekschool die plaats moesten maken voor jongeren, uit liefde voor de zangkunst besloten een vereniging op te richten, die de naam ‘Deventer Zanggezelschap’ zou dragen. Als dirigent trad op de heer C.A. Brandts Buys, vrij spoedig opgevolgd door de heer Henri van den Berg. Beiden leidden met grote toewijding en zorg de jonge vereniging.

 

De repetities waren aanvankelijk in het Stadhuis. Vanaf 13 januari 1871 werden ze gehouden in het Klooster, waar men meer dan 50 jaar zou blijven.

 

In het seizoen 1872-1873 zongen voor het eerst dames mee. Op 21 juli 1884 werd besloten de naam te veranderen in ‘Euterpe’, de muze van het fluitspel.

In 1897 werd naast de twee gewone concerten voor de eerste maal ‘Marijke van Scheveningen’, een compositie van de beschermheer J.A. Coldewey, met enorm succes twee keer achter elkaar opgevoerd.

 

In september 1898 verving de heer J.H.L. Rijken de ziek geworden dirigent Van de Berg. Deze overleed in augustus 1900.

 

Dr. Wilmink schreef toen in het Deventer Dagblad o.a. over hem:

 

 

 

Hij wist vaak zijn kleine schare tot uitvoeringen te brengen , die, wat beschaafde klank en fijne nuancering betreft, de uitvoeringen van menige grotere vereniging beschaamde.

 

 

 

Met de komst van de heer Joh. W. Wensink als dirigent begon een nieuwe bloeiperiode.

 

Als eerste werk werd gekozen Haydn’s Jahreszeiten met eerste klas solisten en begeleiding van de Arnhemse Orkestvereniging

 

De uitvoering was een groot succes. Daarna volgden in bonte rij de klassieke werken: Die Schöpfung, Paulus, Elias, Judith, Das Licht, Die Jungfrau von Orleans.

 

In 1903 werd Euterpe door een gevoelige slag getroffen, namelijk het overlijden van haar hooggeachte beschermheer, de heer J.A. Coldewey, die tijdens zijn leven een krachtige steun voor de vereniging was.

 

Euterpe heeft voor de begeleiding dikwijls gebruik gemaakt van het Symphonie-Orkest van het Haarlems Muziekkorps, evenals van het Deventer Symphonie-Orkest.

 

Later liet het koor zich begeleiden door een dubbel strijkkwintet met piano, het eerste merendeels samengesteld uit Deventer musici.

 

Op 11 november 1919, bij het 50-jarig bestaan van Euterpe werd ‘Das lied von der Glocke’ van Max Bruch voor een eivolle zaal ten gehore gebracht.

 

In de loop van de tijd werden niet alleen werken van bekende buitenlandse componisten als Brahms, Bruckner, Niels W. Gade, Händel, Haydn, Kreutzer, Mendelssohn, Mozart, Schubert, Richard Strausz, Verdi, Wagner en anderen gezongen, maar ook van landgenoten als Richard Hol, Nicolai, Verhulst, Zweers.

 

Stadgenoten werden evenmin vergeten: composities van de dirigenten C.B. Brandts Buys, Henri van den Berg, Joh. Wensink en van J.A. Coldewey en Iz.A. Houck werden menigmaal ten gehore gebracht. De twee laatst genoemde heren waren beschermheer van Euterpe.

 

In 1938 werd in de toenmalige Deventer Hallen, met medewerking van het Nijverens Mannenkoor en de Arnhemse Orkestvereniging, een uitvoering gegeven, in concertvorm, van Wagner’s opera Lohengrin.

 

In juli 1940 deed Euterpe een beroep op de Deventer zangverenigingen en in de jaren 1943-1945 werd nauw samengewerkt met de uit 1925 daterende zangvereniging ‘Zang en Vriendschap’, wat in juni 1945 resulteerde in een fusie.

 

In juli 1951 gaf Euterpe samen met het Deventer Christelijk Gemengd Koor een uitvoering van het Weihnachtsoratorium van Johann Sebastian Bach.

 

In 1953 en 1954 werd medewerking verleend aan de negende symfonie van Beethoven, respectievelijk met het Gelders Orkest van Jan Oud en het Overijssels Philharmonisch Orkest onder Yvon Baarspul.

 

Als jarenlang begeleidingsensemble van Euterpe mag hier zeker niet ontbreken de naam van het Deventer Strijkje, onder de geestdriftige leiding van Steven Coldewey, tevens beschermheer van Euterpe van 1934 tot 1952.

 

Ook in het buitenland liet Euterpe van zich horen: in 1959 zong het koor in Arnsberg ‘Die Jahreszeiten’; in 1962 in Camberwall ‘The Messiah’; in 1964, wederom in Arnsberg, ‘Die Schöpfung’; alles met medewerking van de Deventer Orkestvereniging, ook een trouwe begeleider van Euterpe-concerten.

 

In 1965 werd in de Grote Kerk een concert gegeven, tezamen met het Sweelinckkoor en het Hervormd Zangkoor Irene, waarbij na ieders afzonderlijk optreden tot slot gezamenlijk Psalm 150 van César Franck, onder leiding van Gerrit Oosterlaar tot uitvoering kwam.

 

In het jubileumjaar 1969 werd Euterpe Toonkunstkoor. Op 14 november van dat jaar werd het 100-jarig bestaan gevierd met een uitvoering van de opera ‘Idomeneo’, van W.A. Mozart, in concertvorm.

 

De daarna vertrekkende dirigent, de heer Henk Dul, werd opgevolgd door de heer Alex Schellevis, die bleef tot september 1974.

 

1971 was het jaar van de uitwisseling met Southwark, een voorstad van Londen. Euterpe bracht een bezoek aan de Engelse buren, dat in het najaar werd beantwoord met een bezoek van de Southwarkse musici en zangers aan Deventer. Beide keren werd de ‘Messiah’ met groot succes ten gehore gebracht.

 

In 1972 zong het koor het Gloria van Vivaldi, de Krönungsmesse van Mozart, alsmede twee cantates van Bach.

 

In 1974 volgden een aantal koren uit de Messiah en ‘Hör mein Bitten’ van Mendelssohn Bartholdy.

 

Na het vertrek van de heer Schellevis beleefde Euterpe een moeilijke periode, maar met de komst van dirigent H.W. Carmigchelt braken betere tijden aan.

 

In 1976 werd het oratorium ‘Judas Maccabeus’, zonder coupures, uitgevoerd.

 

Onder Carmigchelt’s leiding volgden tot april 1982 onder andere het Gloria van Vivaldi, de Theresien Messe van Haydn, het Laudate Pueri van Pergolesi, Ode for St. Cecilia’s Day van Purcell, Das Lied von der Glocke van Romberg, het Te Deum van Kodaly, de mis in C van Beethoven, het Requiem van Fauré, het Gloria van Poulenc en de Johannes Passion.

 

Na in 1982 met een koor uit Raalte gezongen te hebben, werd in 1984 het 115-jarig bestaan gevierd.

 

 

 

Onder leiding van achtereenvolgens de dirigenten H. ter Borgh, Godfried Sembner en Jan Kruiselbrink zijn in de daarop volgende jaren weer diverse klassieke werken uitgevoerd. Euterpe’s ledental schommelde in die periode rond de 60. Toen met Willem van Pelt als dirigent werden gezongen: Der Tod Jesu (1988), het Requiem van Mozart met het Te Deum van M.A. Charpentier (1989) en Die Schöpfung van Joseph Haydn in 1990, zagen we een toeloop van nieuwe leden.

 

De omstandigheid dat Willem van Pelt ook het Toonkunstkoor in Zutphen dirigeerde, heeft geleid tot samenwerking van beide koren bij de uitvoering van het Weihnachtsoratorium (1991) en de Messiah (1992).

 

Sinds die laatste uitvoering is het ledental boven de 100 gekomen. Hierdoor kon het koor onlangs de volledige Messiah in de Lebuïnuskerk brengen, nu zonder Zutphen.

 

Inmiddels werkte Euterpe met 110 ledenaan de Mattheus Passion van Johann Sebastian Bach, die op Palmzondag 27 maart 1994, dus het jubileumjaar, in de Lebuïnuskerk werd uitgevoerd.

 

In deze 125 jaar hebben vele generaties hun vreugde aan het zingen en de muziek beleefd.

 

Het is ondoenlijk, zelfs alleen maar de namen van de verdienstelijke leden uit deze 125 jaar te noemen.

 

Laat ons dan in de dirigenten allen eren, die met zoveel ijver, zoveel liefde, gedurende vele jaren hun beste krachten en stemmen aan Euterpe hebben gegeven.